Kijkend naar het SBS 6 programma Smerige zaken met Rob geus, kwamen er weer beelden bij mij boven. Het is 1957 bij Snackbar Prent. 

Mijn baas krijgt te horen dat bij snackbar Prent, in de Regulierdwarsstraat in Amsterdam, ratten aanwezig zijn in de keuken. Of wij dit willen onderzoeken. Nu heb ik helemaal niets met ratten, dus wij zien wel. De snackbar heeft een hal met rode automaten en in de achterwand zit een luik met een bel. Wij gaan achter de schermen kijken wat er aan de hand is. De eigenaar wijst op pannen met snert die rechts op het fornuis staan en verteld dat de ratten uit het gat van ruim dertig centimeter, dat links zichtbaar, als een rond gat boven in de muur zit. Hij vertelt, die krengen zijn zo verwend, lusten geen koude worst, zij lopen over de stangen met opgehangen keukenlepels pannen en worsten naar de twee grote soeppannen. De één met snert en de andere met worst. Zij wachten daar tot de worst afgekoeld is en halen dan de warme worst uit de pan. Jij kunt het zien op de tafel eronder. Dat ligt het vol met ratten keutels.

Er hangen trossen met worsten, maar die raken zij niet aan verteld hij… de worsten moeten dus warm zijn. Mijn baas kijkt in de rondte en zegt, ik weet het al, heb jij wat kranten voor mij? Hij drukt die kranten in het gat en steekt deze aan. De kranten verdwijnen de pijp in wat een angstaanjagend loeiend geluid gaf. Er gebeurd niets. Weer nieuwe kranten. Ook die verdwijnen weer en dan ineens komt er een rat brandend de pijp uit. En dan opeens, er komt haast geen eind aan. Zij springen op de tafel eronder en dan op de grond. Heer Prent staat bij die tafel met een mes de ratten te prikken met de punt van het afgesleten mes wat hij snel gepakt heeft.

Dan gaat de bel, de heer Prent opent het luik. Goedemorgen wat kan ik voor u doen? Een kop snert a.u.b. De heer Prent haalt een kop soep uit de pan, snijdt met hetzelfde mes een stuk worst af, maar dan vlak bij het handvat. Zet de worst in de kop soep en geeft hem door het luik af met een eet smaEelijk erbij. Het luik gaat weer dicht. De heer Prent bedankt mijn baas en vraagt, wil jij koffie? Ja graag, ik vlieg zelf naar buiten, want ik sta te trillen op mijn benen en sta te kokhalzen. bbbbrrrrr.

Een tijd later kwam ik langs deze zaak en zag dat de zaak gesloopt was, de mooie zaak ernaast had het vieze spul overgenomen en was met nieuwbouw bezig. Ik sprak met de bouwvakkers. Hebben jullie nog dooie ratten gevonden? Ja, grote en een aantal kleintjes, helemaal verbrand, onder het fornuis. Logisch want de bodem was totaal verrot. Zelfs de poten waren weg. Hij stond op vier stenen. Ik vertelde bovenstaand verhaal. Echt waar? ja ja. Ook zij kokhalsde ineens. Gadverdamme, maar zeiden jullie er niets over dat mes dan? Ja natuurlijk, maar Prent zei: niet zeuren jongens dit is horeca en hij veegde het mes aan zijn voorschoot af…keek ons lachend aan zei, zo die is schoon!

ton mars kerst

Ton Mars


Muziekherinneringen De 5e van Beethoven

Ludwig van Beethoven

Afgelopen zondagavond, 06-03-2016, de finale van het programma Maestro. Het tweede stuk wat gedirigeerd, de de 5e van Beethoven. Dit brengt het volgende verhaal bij mij naar boven.

Het is oorlog. Mei 1944. Mijn ouders vieren hun 12½ jarig huwelijksfeest bij hun ouders in Amsterdam. Er is niets te eten. Werkelijk helemaal niets. Mijn tantes hebben echte thee weten te kopen en daar wordt van genoten. Mijn broer 12 en ik 9 jaar oud, hebben een toneelstukje ingestudeerd. Het hoogtepunt is een pianostuk van mijn oom, een broer van mijn moeder. De man is broeder in Saint Louis klooster in Oudenbosch. Hij heeft een speciale vergunning om vandaag met de trein te reizen maar moet dezelfde dag weer terug. Mijn oom is muziekleraar op het conservatorium en bespeelt het orgel van de Basiliek van Oudenbosch. Deze ome Jan komt dus spelen. De piano is speciaal voor hem gestemd. Wij mogen niet tussen de tafel en de piano lopen. De familie zit aan de andere kant van de tafel en in de tussenkamer. Daar gaat de bel… OME Jan… er valt een stilte.

Ome Jan komt boven, feliciteert iedereen en wordt meteen op de pianokruk neergezet. Natuurlijk krijgt hij een kop echte thee. Wanneer hij zich omdraait op zijn pianokruk vraagt hij, mag ik? Iedereen knikt JA. Er valt een doodse stilte. En dan bam bam bam bam……. bam bam bam bam. Zijn handen vliegen over de pianotoetsen. Wat mij opvalt, er zijn ineens veel tranen. Er wordt zelfs hard gehuild. Ik snap er niets van! Ik vraag aan mijn moeder: waarom huilen zij? Maar mijn moeder heeft ook tranen in haar ogen en zegt ssssttt, het is zo afgelopen. Na afloop is er een drankje en moet Ome Jan opstappen. Hij speelde de 5e van Beethoven. Het stuk muziek wat de BBC gebruikt in deze oorlog en volgens mij ook radio oranje. Het waren noten die in Morsetekens de V vormde. De V van Victorie. De eerste tonen worden gebruikt als verzet tegen het nazisme.

Afgelopen zondag hoor ik het stuk voor de zoveelste keer maar nu komt het als een harde mokerslag bij mij binnen. Ineens zit ik weer bij mijn moeder op schoot en opnieuw hoor ik Ome Jan spelen. Nu lopen ook bij mij de tranen over mijn 80 jaar oude wangen. Dit stuk komt zo hard bij mij binnen! Ik voel de spanning wat deze 5e met zich meebrengt in Mei 1944. Nu snap ik de tranen van mijn familie.

En ik moet zeggen, het komt ook omdat Leona Philippo het orkest van het oosten tot magistrale hoogte brengt en er uithaalt wat erin zit met haar dirigeren en gezichtsuitdrukkingen. Geweldig in één woord.

ton mars kerst

Ton Mars


Motor met zijspan

r60 bmw met zijspan

Oude BMW

Mijn baas heeft een motor met zijspan. Als hij aanwezig is, staat deze motor voor de deur geparkeerd. Vaak moet ik met de kar de werkplaats in of uit en dan ligt hij te slapen. In de werkplaats is een kamer gecreëerd waar ik nooit in ben geweest. Zelfs zijn zoon Chiel mocht er niet in. Chiel had er een naam voor. Deze kan ik mij niet zo snel herinneren. Maar zeker weten, het zal wel iets grofs zijn geweest. Als mijn baas lag te slapen mocht hij NIET gestoord worden. Dat wist ík niet! Maar Chiel zei tegen mij, roep jij de baas even dan ga ik even sigaretten kopen aan de overkant. En als hij niet reageert even doorgaan met kloppen, maar dan wel iets harder. Dit deed ik. Wist ik veel! Als een furie kwam hij zijn kamer uit gestormd. Wat mot je en weet ik veel wat hij nog meer schreeuwde. Ik vloog de werkplaats uit. Daar stond Chiel buiten, tegen de muur, hard lachend een sigaret te roken. Ha ha ha dat wist ik wel, riep hij. Maar jij hebt hem eruit in ieder geval. Zo, dan kun jij nu met de kar weg. Maar blijf jouw baas wel even uit de buurt want hij is de rest van de dag niet meer aanspreekbaar. Chiel stapte op de fiets en ik moest met de kar meerijden. Steeds keek hij even om en lachte dan heel hard. Dat zal hij jou nog wel betaald zetten en dit gebeurde inderdaad….Later.

Opnieuw stond de motor voor de deur geparkeerd. Chiel stond zijn zaag te vijlen. Hij was al een tijdje bezig toen Chiel mij riep. JONGEN, mijn naam kwam bij hem niet over zijn lippen, kom eens hier? Ik liep op hem af. Zie jij de motor? vroeg hij. Ja natuurlijk! Zullen wij een geintje uithalen? Ik haalde mijn schouders op…hoe dan?

Hij wees naar de muur. Daar stonden stalen puntijzers en breekijzers en koevoeten. Als jij dat dunne ijzer neemt, die past precies tussen het zijspan in. In de straat zit precies een gaatje tussen de stenen. Dat weet ik want ik heb het al meer gedaan. Als jij die kleine voorhamer neemt, tik je hem er zo tussen.

Dat doe ik niet! Ik kijk wel uit! Zo vrolijk is jouw vader niet. Chiel draaide zich om en vroeg Harry de loodgieter, wat vind jij ervan Harry? Deze haalde zijn schouders op en vond het wel een heel goed plan. En jij Ferry? tegen de schilder… super leuk idee Chiel. Ton dat moet jij doen want hier valt normaal niet zoveel te lachen. Chiel vroeg aan Leen, wat denk jij Leen? Leen lachte niet. Als jullie denken dat het leuk is moet je het doen en alleen als Ton het wil. Die jongen heeft niks te willen het is gewoon een opdracht, riep Chiel. Ondertussen was het gaan regenen. Ik werd onder druk gezet. Dan maar met het breekijzer en voorhamer naar buiten. Chiel wees door het raam de plaats aan en voor ik het wist zat het ijzer tot de braam tussen de motor. Met bonzend hart ging ik de werkplaats weer binnen. Het eerste wat Chiel zei: dat zal jouw baas leuk vinden. Die vliegt jou strakjes naar jouw strot. Zeker weten en Harry mompelde, ja ja Tonnie je hebt wat aangehaald. Dit zal hij niet leuk vinden. Ik kromp ineen. Maar jullie stookte mij op, stamelde ik. Ferry de schilder riep hierop, hoe kom je daar nou bij.  WIJ jou opgestookt? Nu moet je het niet gekker maken zeg. Leen zei niets en mompelde, daar was ik al bang voor. Maar hij grijnsde wel mee.

Daar hoorden wij voetstappen de trap afkomen. Chiel zegt, nou zo te horen heeft Pa de pest in. Moet je horen hoe zwaar hij loopt. De ene opmerking na de andere maakte het nog erger. Ondertussen stond ik te trillen naast de werkbank. De deur zwaait open en de baas schreeuwde iets over de regen tegen Chiel. Heb jij weer eens de pest in pa? Moet jij dat altijd op mij afreageren.

De baas stapte op de motor en wilde starten. Zijn kleine dikke lijf in afmatting na de zoveelste trap. De regen liep met bakken over zijn gezicht. Opeens, broem broem. De motor liep. De baas gaf een flinke dot gas en BOEM!  De hij motor draaide om zijn as en reed met een harde klap tegen de deuren aan. Door de klap was de baas naar voren geschoven en zat zijn kruis op de tankdop met zijn buik tegen het stuur aan. Hij was haast haast met zijn hoofd tegen de ruit van de deur gevlogen. Ik schrok mij lam. Samen met Leen stond ik af te wachten. Leen roept opeens tegen mij, vlucht de wc in. Dan ben je veilig. Dit deed ik. De baas was aan het schreeuwen WIE HEEFT DIT GEDAAN? Zoonlief Chiel zei meteen, wie zou dit nou gedaan hebben. Die jongen natuurlijk! Wie anders!

De anderen hoorde ik zeggen, wij hebben hem nog zo gewaarschuwd! Doe het nou niet! Maar ja, eigenwijs hè, niet luisteren. Waar is dat kreng?  schreeuwde de baas. Chiel zei hierop: die zal wel achter zijn, de WC ingedoken.

De baas stond voor de WC deur en zei:  jongen doe open, ik wil even met je praten. Maar deze jongen reageerde niet. Hierop zei Chiel tegen zijn vader, wacht maar even pa, ik haal de pennen er wel even uit. En ja hoor, tik tik en de deur werd uit de scharnieren gelicht. Daar stond ik oog in oog met mijn pissige baas. Voor ik het wist had Chiel mij vast en de baas ramde met een stuk tengel op mijn kont. Ik hoorde Leen zeggen, hé jongens nu is het mooi geweest en ze lieten mij los. Hierop heb ik de fiets gepakt en ben naar huis gereden. Het viel mij onderweg wel op dat ik moeilijk op mijn zadel kon zitten. S avonds op school voelde ik tijdens het timmeren nog steeds iedere klap.

De volgende dag stond het hele spul mij voor de deur uit te lachen. Inclusief de baas. Ach man het was een geintje. Ik voelde mij weer een heel stuk prettiger. De baas lachte nog harder toen hij nog even vertelde welk gezicht ik trok tijdens het weghalen van de WC deur. Hij kwam haast niet meer bij en noemde het al proestend, Amsterdamse bouwhumor!!!

ton mars kerst

Ton Mars


Het verhaal gaat verder (vervolg van onderstaand verhaal)

Onze werkplaats was dus in de Kerkstraat op nummer 25. Voordat ik daar werkte, als 17 jarige, was het een stalhouderij met daarboven woningen voor het personeel en in het midden een hooizolder. De 2 oude stallen waren nu twee grote werkplaatsen geworden. In de linker stal zat een poppenbedrijf die poppen maakten voor de kermis. Poppen met van die puntmutsen. En de rechter stal was onze werkplaats. Helemaal rechts zat de trap naar boven waar een gezin woonden. Een makelaar had daar zijn kantoor en een klein werkplaatsje voor een hele bekende lijstenmaker uit de Leidsestraat. Deze man werd altijd met heel veel respect aangesproken. Trouwens, de makelaar ook. Maar zoals ik eerder vertelde ging de makelaar later naar het pand op de Herengracht.

In onze werkplaats gebeurde een aantal dingen. Wat ik altijd vreemd vond, iedereen moest om half acht voor de deur staan ongeacht waar jij in de stad werkte. Dan kwam de baas om de deur open te maken en werd er even gepraat waar jij werkte en of er een spoedklusje was. Maar ik had het idee dat hij controleerde of iedereen wel op tijd was. In het kleine kantoortje zat haast iedere dag een oude gepensioneerde man die het kantoorwerk deed, een vriendelijk zeer beschaafd mens die totaal niet hoorde bij het bouwvak. Hij schreef de bonnetjes uit als wij materiaal moesten halen.

Al het timmer-en  loodgieterswerk gebeurde daar nog met de hand. In deze werkplaats stond een timmerbank zonder bankschroef, een werktafel voor de schilder, erg veel bussen en kwasten, een werkbank voor de loodgieter met een zetbank voor goten en een voor regenpijpen en kralen draaien. (de krul die aan de buitenzijde van een goot zit) Wij hadden soms een opperman Ome Wout. Ome Wout liep met de kar en hij pruimde. Volgens Ome Wout moest die pruim afgegoten worden en spuugde hij zo’n bruine fluim de goot in langs de weg en nam daarna een slok uit een fles waar een krant omheen gewikkeld zat. Het bleek koude thee te zijn. Ome Wout leerde mij met de kar omgaan op de hand laden en weer afladen, zigzaggend tegen de brug op als de kar te zwaar was. Alles vastbinden met steigertouwtjes en remmen. Want dat moest ik ook weten hoe dat te doen met een kar. Een hele lieve man. Hij was de rust zelve. Ik vond het fijn met hem mee te mogen. Dan hadden wij een loodgieter Harry. Ook een aardige rustige man en vrijgezel. Hij kon heel mooi fluiten en dat deed hij altijd. Dus was hij altijd op een werk terug vinden. Ik heb ontzettende veel van hem geleerd maar dat vertel ik later. Dan twee timmerlieden. Chiel, de zoon van de baas. Een echte rauwdouwer. Niet alleen timmerman maar ook metselaar en tegelzetter en ouderwets alles met specie. Als metselaar en tegelzetter was hij super als timmerman erg grof. En Leen een pokdalige man. Een aardige timmerman waar ik veel mee gewerkt heb. Hij heeft mij wegwijs gemaakt in het timmervak, maar ook om met mensen om te gaan laat ik zeggen levenslessen. Nooit een opgeheven vingertje een heel gevoelig mens het tegenovergestelde van Chiel.

Als schilder hadden wij ouwe Ome Hein. Maar die was er af en toe. Later kwam Ferry erbij, jong ik denk 30 en altijd vrolijk. Veel mee gelachen en gewerkt die bracht humor in de tent en was overal voor in. Hij ging ook met alle klussen mee of het nu timmer of loodgieterswerk was. De baas was van huis uit loodgieter maar deed daar niets mee. Een mannetje met dikke buik klein van postuur zeer kortaf en een zakhorloge op zijn buik. Ik vond het geen prettig figuur zeker niet samen met zijn zoon. Ik hoorde hem eens telefoneren en hoorde hem spellen ja.. ja.. ja.. met de M van emmer met de O van loodgieter en U van schuur zo’n figuur was het. En hij was erg gierig, soms lag er een stapel sigaren op zijn bureau en daar haalde hij alle bandjes af niemand hoefde te weten welk merk het was en wat deze gekost hadden. Eens zat Leen de timmerman bij hem aan zijn bureau en ik zag  hem met een sigaar in zijn mond lachend en dampend uit het kantoortje komen.. Ineens ging het loketje open. Mijn baas stak zijn hoofd erdoor en schreeuwde LEEN ik houw hem wel van jouw loon af hoor. Leen liep terug naar het loket drukte het open. Hier heb jij jouw sigaar. Ik vind hem niet zo lekker, rook hem zelf maar op. Ik heb er maar één trekkie van genomen.

 Leen mompelend, ja daaag, ik ben me daar belazerd zeg.

Leen zijn gereedschap zat in een colbertjasje gerold.  Zijn versleten zaag in een mouw, in de zakken schroefjes spijkertjes en in de binnenzak een kleine en een grote schroevendraaier. Daar zat ook de bankhamer en een knijptang, 2 beitels en een klein versleten beiteltje waar hij glas mee kon snijden. Verder wat oude vijltjes en een houten schaaf een wetsteentje. Ik gebruikte deze nooit want hij spuugde erop bij het slijpen van de beitels. Dat vond ik vies. Als hij het jasje oprolde, ging er een stuk traptouw omheen en zo achter op de fiets. Hij redde zich er geweldig mee, het was een prachtmens. Leen was getrouwd en had een zoon die in militaire dienst zat. Vaak ging Leen even naar huis omdat zijn vrouw ernstig reuma had en geholpen moest worden bij het eten. Een hele lieve vrouw zij kon haar armen niet meer optillen en verrekte soms van de pijn vertelde Leen wel eens. Bij haar op bed lag altijd hun angora kat waar zij mee praatte. Op haar buik op de dekens stond een soort molentje met twee wieken. Dat was voor de radio centrale. Als zij voorzichtig tegen de onderste wiek blies kon zij een andere zender opzetten. Op de bovenste blazen kon zij de radio hard en zacht zetten. De buurvrouw en Leen verzorgde haar. Ik schrijf het zo gemakkelijk op maar wat een geweldig goed mens was Leen. Ik realiseer het op dit moment nog meer nu ik zelf een hoge leeftijd heb en het een en ander meemaak, kippenvel.

Leen zal ik nooit vergeten en ondanks de zorg en ziekte van zijn vrouw had hij veel humor en nog een ding!!… hij was er altijd voor zijn vrouw…en op zijn werk was hij nooit ziek, liet het nooit afweten en klaagde NOOIT.

Ik ging daar werken in 1952. Mijn loon was 7 gulden vijftig cent. (€3,30) Wij werkten zaterdags tot 13.00 uur. Iedereen ging dan naar huis. Maar ik moest zo nodig, bij de makelaar, naar boven de parketvloer in de gang schoonmaken met staalwol. Daar kreeg ik 2 gulden vijftig voor (€1,10) en moest daarvoor een briefje tekenen. Een klusje dat toch snel dik een uur duurde. Vervolgens kwam ik bekaf thuis met 10 gulden (€4,40) in die geweldige goeie ouwe tijd.

ton mars kerst

Ton Mars


De handkar

KERKSTRAAt

De werkplaats met kar aan de Kerkstraat

Met de handkar leg ik heel wat kilometers af vanuit de werkplaats in de Kerkstraat vlakbij de Leidse straat. Naar Amsterdam oost, naar west en veel in het centrum rond de Westertoren. Maar ook naar Halfweg via het fietspad. De fiets op de handkar om met de fiets terug te kunnen. De volgende dag weer heen met de fiets en maar weer eens terug met de kar. En dat is nog maar Halfweg. Ik loop ook naar Bussum. Dat is bijna een dag lopen heen en ook weer een dag terug. Ik kan er nog steeds niet bij dat mijn vader dit goed kan vinden. Maar ja, het is een slechte tijd. De jongens komen net terug uit Nederlands Indiё. Dus ik leg mij er bij neer. Maar met tegenzin.

Wat ik griezelig vind langs de grachten, is als de wagen van de Heineken brouwerij met die paarden voorbij komt.

Schilderij Suus Verhaaf

Het is wel een mooie wagen. Dat wel. Met van die houten tonnen aan de zijkant. De paardenlucht is heerlijk. Je hoort de wagen al van ver aankomen. De kar die ratelt op de keien, de paardenhoeven en er hangen bellen aan hun halsters. Maar mij breekt het zweet uit als ik hem hoor. Zal niet de eerste keer zijn dat hij tegen mijn kar ramt. Dan krijgt ik met kar en al een zwieper, de stoep op. Maar wat echt vreselijk is zijn de hoge bruggen van de zij-grachten. Er zijn zelfs bruggen bij waar ik zigzaggend tegenop moet. Zeker als mijn lieve collega’s weer eens de kar geladen hebben met puin.

Ik ben moe van al dit voort sjouwen met de kar. Er staan niet veel auto’s aan de grachten en de straten. Ik kan daarom mijn kar overal parkeren. Het is fijn om in de etalages te kijken van elektronica winkels omdat ik graag knutsel met ontvangers. Vandaar!

Ik loop met de grote kar in de Hartenstraat naar een klus in de Sint Janzstraat naast Krasnapolsky. Er komt een tegenligger aan. Uitwijken dan maar. Dan maar met één wiel op de stoep. Vooraan de kar steekt een paal uit de kar en daar hangt achter een grote spijker een emmer carbolineum. Net als ik tegen de stoeprand stoot, loopt er een vrouw voor mij met een deftige bontjas aan. Uit de emmer carbolineum komt ineens een plons van dat bruine stinkende spul en spat als een landkaart tegen de bontjas uiteen. Vanaf de zoom van de jas druipt de smurrie op straat. Ook dat nog! Ik schrik mij helemaal lam. Ik kijk nog eens, maar die mevrouw merkt niets, zo lijkt het. Zodra ik met twee wielen op de straat sta, zet ik het op een lopen. Ik ren, nee vlieg met kar en al de brug van de Keizersgracht over richting de Herengracht om zo naar de Singel te rennen. Als ik datt maar haal. Al rennend bedenk ik mij dat ik de Dam moet halen. Dan vlieg ik over de Dam om vervolgens helemaal de kuierlatten te kunnen nemen. Voorlopig ga ik niet meer naar de Hartenstraat. Stel je voor dat ik die mevrouw daar nog een keer tegenkom.

ton mars kerst

Ton Mars


Vervolg: Herengracht 223

De keldervloer is intussen gestort en ligt er mooi bij. De vloer lijkt na een paar dagen eindelijk droog te zijn. Af en toe komt de makelaar even kijken omdat hij hier zelf gaat wonen. Ik moet een paar dagen na het storten van de vloer de bende opruimen die heren hebben achtergelaten. Mijn baas heeft, naast die hele grote kar, ook een kleine kar. Met deze kan ik wel goed uit de voeten. Al het puin moet daar op en dan naar de puinschuit op de Lijnbaansgracht, vlak bij het Leidseplein. Dit is best nog een hele tippel en helemaal met dit warme weer. Na heel veel ploeteren heb ik alles opgeruimd. Nu moet ik nog terug naar het pand op Herengracht. Dit keer om de schilder te helpen. Want eventuele houtreparaties moet ik dan uitvoeren.

De schilder is een oude baas die bovendien nog meestal in zichzelf praat. Hij is in een kamer bezig. De deur staat op een kier. Soms gaat hij even zitten en staart dan naar een kaarsje wat brandend voor hem staat. Waar is dit voor Ome Hein? informeer ik. Nou jongen, dan kan ik zien, als het vlammetje flikkert, of er iemand het pand binnen komt. Zelf ben ik elders in het pand bezig. Een enkele keer kom ik wat gereedschap halen uit mijn gereedschapskist. Dan staat hij toch binnensmonds vloekend te schilderen. Ik heb rust nodig, zo zegt Ome Hein. Ik weet nooit wie er binnenkomt. Jij of iemand anders. Ik wil rust! Ome Hein pikt het niet langer en doet zijn beklag bij de baas. Aan die jongen heb ik niets, ik wil dat hij gaat!

Mijn collega’s krijgen hier lucht van en vragen, waarom moet jij weg? Ome Hein heeft niets aan mij, zeg ik en zo heeft hij dit ook aan de baas laten weten. Vertel eens? Heeft hij nog steeds dat kaarsje bij zich? vragen zij lachend.  JA, zeg ik. Het hele stel barst in lachen uit. Ach die Ouwe Hein, die komt hier om te slapen. Thuis krijgt hij door toedoen van zijn vrouw geen rust. Die ouwe is al boven de 75 hoor! Hij is een vriend van de baas. Zodoende mag hij voor wat zakgeld klusjes doen.

Met deze wetenschap kan ik voortaan goed met Ome Hein opschieten. Alleen dan moeten ZIJ er niet bij zijn. Zij, mijn collega’s, stoken mij altijd op om iets bij Ome Hein te doen. Door mijn jeugd zie ik er geen kwaad in. Ome Hein is heel wat keren door mij op de kast gejaagd. Dan vloekt hij toch! Mijn geweldige collega’s wijzen dan wel gelijk naar mij. Wat flik jij nu weer jongen, waarom doe jij dit? Vooruit, ga jouw excuses aanbieden. Zo groen als ik ben doe ik dit. Maar Ome Hein vliegt mij haast naar de strot met een plamuurmes.

En dan komt er een minder bericht. De keldervloer blijkt nog steeds lek te zijn. Hij staat vol water. De kelder zit onder het niveau van de gracht. In de keldergang, die gelijk ligt met de bestrating van de gracht, zit een houten luikje in de marmeren vloer, vlak voor de kelderdeur. Niemand snapt waarom dit luikje hier zit. Het luikje halen wij eruit en dan kijken wij in een andere ruimte. Deze ruimte staat vol met schoon helder water.

Natuurlijk moet ik bij verhuurbedrijf Penning, op de Prinsengracht, een kattenkop huren met slangen. Dit is zo’n ronde bol-pomp. Wij beginnen gelijk met pompen. Nou ja, WIJ, deze jongen dus. Ik moet aan de zwengel. Na een hele dag pompen is eindelijk de ruimte leeg. Alleen de achtertuin staat gewoon helemaal blank. Met een looplamp kijken wij naar beneden en zien mooie rood/bruine plavuizen liggen. Ik moet het brandweer laddertje halen in de werkplaats. Dit is een vierkante paal die uit te schuiven is tot smalle ladder. De ladder wordt in het gat gezet maar niemand kan tussen de balken door. Dus.. ja hoor, de jongen van 17 moet opnieuw opdraven. Mijn collega’s laten mij aan mijn armen zakken want het laddertje is te kort. Voorzichtig daal ik af. Eenmaal beneden ben ik stomverbaasd. Wat ik zie is een enorme ruimte. Ik schat hem zeker op 3 x 3 meter en zeker tegen de 3 meter hoog, zo niet hoger. De vloer is hol. De muren zijn rond en het plafond ook. Een prachtig gewelf en niet alleen de vloer maar alles is bekleed met plavuizen.

Uit het plafond komt een hele dikke loden pijp. Zeker wel 7 cm dik. De wand van het lood is ook erg dik. Zeker 5 of 6 mm. Het uiteinde ligt gewoon op de grond en de pijp is hier een beetje dichtgeslagen. Wat ik beneden zie is echt schitterend met al die plavuizen. Dit laat ik dan ook aan boven weten. Mijn collega’s trekken mij omhoog omdat ik aangeef het benauwd te krijgen. Eenmaal boven vertel in geuren en kleuren wat ik daar gezien heb. Mijn collega’s hangen aan mijn lippen. Vooral die loden pijp. Daar willen zij alles over weten. Hoe dik en hoe lang en of er goed bij te komen is. Opeens ben ik héél belangrijk.

De collega’s komen tot de conclusie dat dit een waterreservoir moet zijn. Hij moet vroeger zijn water verkregen hebben vanuit de dakgoot. Deze jongen wordt opnieuw de waterput ingestuurd maar nu met een zaag om de loden pijp weg te zagen die daar toch voor joker hangt. Het worden kleine stukken omdat het lood met recht “loodzwaar” is. Boven zijn zij blij met mij en ik krijg dan ook meer geld voor deze actie dan de zeven en een halve gulden die ik normaal per week krijg.

Vlak na deze ontdekking zijn wij gelijk begonnen met de sloop van de muur tussen de kelders. De makelaar ziet zijn kans schoon en maakt er een wijnkelder(tje) van. Dit was niet gelukt als ik niet in het luik zou hebben gepast. Met dit kelderavontuur stopt voor mij mijn eerste bouwervaring aan de Herengracht 223.

ton mars kerst

Ton Mars


handkar

Voorbeeldfoto van de handkar

WIJK AAN ZEE – Die goeie oude tijd. Nou ja!

Het is 1952. Dan ben ik nog maar net 17 jaar als ik mijn eerste bouwervaring heb op de Herengracht in Amsterdam.

Wij werken veel voor een makelaar die op de Herengracht erg veel panden heeft. Dit pand, op nummer 223, is vlakbij de Rozengracht. De kelder is lek. Wij moeten daar een betonvloer in storten. Wij, 2 schilders 1 timmerman en de zoon van de baas en die jongen van 17.. ik dus.

Alles wordt gebracht door bouwmaterialenhandel Jan Vet. Behalve het grind. Dit moet ik halen bij de werf aan de Baarsjesweg net over de Wiegbrug. Ik krijg zelfs de grote kar mee. Met moeite, want ik kan het dikke ruwe ovale handvat haast niet omvatten. Het is de eerste keer van mijn leven dat ik met een kar moet rijden. Bij Jan Vet wordt het grind erop geschept waarbij ik bij iedere schep grind al in gedachten heb….die kar krijg ik nooit het terrein af. Uiteindelijk lukt het mij wel, met veel moeite, de werf af te komen. Maar hoe ik ook duw, ik kom met geen mogelijkheid tegen de Wiegbrug op.

Dan maar even terug naar Jan Vet. Willen jullie mij even helpen? Twee sterke mannen gaan met mij mee en voor ik het weet rijdt ik met de kar over de brug de Clercqstraat in en de Rozengracht op. Dan de Raadhuisstraat in. Het is vies broeierig warm weer. De wielen snerpen en kleven op het hete asfalt. Bij iedere stap lig ik haast dubbel over het handvat. Mijn buik gaat er zeer van doen. Ik tel in mijn hoofd zeker, tot het einddoel, nog 7 bruggen. Het zweet gutst van mijn voorhoofd. De laatste brug van de Herengracht moet ik nog over en dan rechtsaf. Daar is het!

Het hele spul staat op mij te wachten. In de kelderdeur, onder de hardstenen trap, beginnen zij mij te jennen: Waar blijf je nou? Ben je in slaap gevallen? enz. Ik houd de bouwtekst die ik te horen krijg verder maar even voor mij. Bekaf ben ik en kleddernat van het zweet. Mijn kuiten en buik doen zeer van het duwen. Vette blaren staan in mijn handen door het handvat. Ik sterf zowat van de dorst. Waar moet ik de kar laten? vraag ik. Zij wijzen naar de boom langs de waterkant. Nog niet echt gewend aan het manoeuvreren met zo’n kar, rijd ik voorzichtig de kar tegen de boom aan en laat hem vervolgens los. Het handvat schiet door het gewicht met een rotvaart uit mijn handen. De kar draait zich om en voor ik door heb gggrrrrttttsss, verdwijnt de hele inhoud in de gracht. Ik schrik mij werkelijk te pletter. Beduusd staar ik in het water van de gracht. Een klein bergje grind steekt boven het water uit wat aangeeft, hier lig ik dan… De tranen springen in mijn ogen.

Mijn collega’s staan schamper naar mij te lachen en schreeuwen enkele bouwtermen naar mijn hoofd. Ik loop op hen af. De sterke pijn voel ik nog steeds in mijn kuiten, buik en handen. Half huilend zeg ik….ik kan er toch ook niets aan doen? Die kar was ook zo zwaar, maar wat nu? De zoon van baas zegt: wat moet ik doen? wat moet ik doen?…… Nou, ga maar nieuw grind halen en snel een beetje. Zorg ervoor vóór 5 uur terug te zijn.

Het water waar ik zo naar snak drink ik maar even niet. Met tegenzin en met lood in mijn schoenen pak ik de kar opnieuw. Half hollend ben ik de route afgerend voor nieuw grind. Bij Jan Vet hebben zij medelijden met mij en helpen mij, zonder het te hoeven vragen, mij tegen de Wiegbrug op. Opnieuw ren ik, zover het gaat, terug naar de Herengracht. Nu word ik wel opgevangen en de kar wordt netjes gelost. Dan slaat de Westertoren 5 keer. De heren sluiten de kelderdeur en gaan op huis aan. Ik niet. De kar moet nog terug naar de werkplaats in de Kerkstraat. Aan het einde van mijn Latijn stap ik eindelijk en bekaf op mijn fiets terug naar huis.

Rond zes uur ben ik thuis. Snel mijn handen wassen, eten en op naar de Concordia Internos. De technische school voor mijn diploma gezel timmerman. Deze start namelijk om zeven uur. Alleen zak ik vele malen in slaap achter de tekentafel.

Wordt vervolgd. (zie boven)

ton mars kerst

Ton Mars


Te zware handkar

kolenkar

De kar ga door “kargadoors” in actie

Velen jaren eerder bestaan deze handkarren natuurlijk ook al. De wagens, of karren, zijn dan vaak met kolen of steenkool gevuld. Het is bijna een onmogelijke taak om de handkar alleen over een brug te krijgen. Zo is in het beroep van “kargadoors” ontstaan. Ook wel bruggetrekkers, die moeten helpen om de kar over de brug te krijgen. Sommige kargadoors binden ook nog eens enkele honden voor de kar als extra trekkracht. Eenmaal boven moet jij zelf maar uitzoeken hoe de kar in bedwang te houden als hij de brug afgaat.

Een kargadoor is iemand die, voor enkele centen, meehelpt karren tegen steile bruggen op te trekken met behulp van een touw met haak. Een bekende Amsterdamse bruggetrekker of kargadoor heeft vanwege zijn enorme kracht de bijnaam Kees Koeienreet. Christiaan Smit, bijgenaamd Kikkie, van de Prinsensluis is de laatste kargadoor van Amsterdam. Hij komt te overlijden in 1940. Op hem is het volgende lied gemaakt:

Ik pik alles aan mijn haak
En mijn haak pikt altijd raak,
Alles pik ik, groot en klein,
Mijn haak pikt steeds waar ie moet zijn.
Trekken kan ie, kolossaal,
Ja, dat weten we allemaal,
Daarom zingen we in koor: Kar-ga-door, kar-ga-door!

ton mars kerst

Ton Mars


 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*
*
Website